De eerste gebruikers van dit gebied waren jagers die ruim 6000 jaar geleden de kuddes rendieren volgden. In de middeleeuwen reisden hier vele pelgrims op weg van het zuiden naar Trondheim. De rendieren zijn zeer gevoelig voor verstoringen in de winter en de lente. Het wordt daarom aangeraden om op de gemarkeerde paden te blijven, al is er geen wandelverbod in de rest van het park. Het terrein is open en makkelijk toegankelijk.
Landschap
Het grootste gedeelte van het nationale park is boven de boomgrens gelegen. Het landschap werd gevormd door de laatste ijstijd. Tussen de 1100 en 1700 meter boven zeeniveau zijn de toppen rond, en rond de hoogste toppen heeft het landschap bijna een arctisch uiterlijk met sporen van permafrost.
Flora en fauna
Het gebied is belangrijk voor de berplanten; bijna alle Noorse bergplanten zijn hier te vinden. In de droge, arctische gebieden kan men bergleeuwerikken en morinelplevier vinden. Hoewel de wateren schaars zijn, bieden deze een rijk vogelleven, met o.a. de grauwe franjepoot, tureluur, kuifeend, ijsgors en bontbekplevier. Elke lente en herfst trekken grote aantallen kleine rietganzen en aalscholvers over het gebied.
De rendieren zijn een belangrijk onderdeel van het ecosysteem. De veelvraat is weggeweest, maar komt nu ook weer voor in het gebied.